Plantentuin Meise



Epifyten, overleven ver boven de grond

  • Epifyten: mossen, varens, orchideeën, bromelia's, aronskelkachtigen, cactussen, mierenplanten, ...
  • Waar te zien in de Plantentuin : Epifyten zijn vooral terug te vinden in de regenwoudkassen, ze zijn aangeplant op verschillende epifytenstammen. Ook in de Victoriakas zijn ze goed vertegenwoordigd, hier worden ze gekweekt in hangmandjes. Maar eigenlijk kan u er in elke kas aantreffen; als u goed kijkt, zelfs in de Droogtekas.

Bromelia's en orchideeën in Frans Guiana

Wat zijn epifyten ?
Epifyten zijn planten die op andere planten groeien. Ze wortelen niet in de grond maar ver daar boven, op de stammen en de takken van bomen. Het zijn geen parasieten, ze tappen geen voedingsstoffen af van hun gastheer, ze gebruiken deze enkel als steun. Veel mossen en varens zijn epifyten net als ongeveer 10 % van alle gekende hogere planten. Sommige plantengroepen zoals varens, bromelia's en orchideeën tellen bijzonder veel epifytische vertegenwoordigers. Waarschijnlijk zijn in de loop van de evolutie planten als epifyten gaan groeien om aan voldoende licht te geraken. Slechts 1-3 % van het invallende zonlicht geraakt tot op vloer van het tropisch regenwoud. Hogerop, in de kruinen, is er volop licht.

Waar komen epifyten voor ?
Epifyten zijn terug te vinden in alle gebieden waar een voldoende hoge luchtvochtigheid heerst. Vooral in de regenwouden en dan meer bepaald in de bergregenwouden en mistwouden (op 1500 meter hoogte) komen epifyten massaal voor. De Afrikaanse regenwouden hebben het kleinst aantal soorten, de Aziatische regenwouden en de Amerikaanse bevatten veel meer soorten. Epifyten komen ook voor in savannes, in het subtropisch regenwoud, in gematigde bossen, en zelfs in naaldbossen en woestijnen. De beperkende factor voor het voorkomen van epifyten is de beschikbaarheid van vocht. Tijdens vorstperiodes is er weinig water beschikbaar. Hoe langer de vorstperiode duurt hoe minder epifyten er in een streek kunnen voorkomen. In gematigde en koude streken zijn het vooral mossen en korstmossen die als epifyt voorkomen maar ook bepaalde varens. Kenmerkend is dat deze planten goed bestand zijn tegen uitdroging. Naast mossen en korstmossen is de eikvaren (Polypodium vulgare) één van de weinige grote epifyten die in België voorkomt.

Aanpassingen van epifyten : water opnemen
Epifyten groeien op de stammen en in de kruinen van de bomen. Daar vinden ze voldoende licht om te groeien maar moeten ze andere problemen oplossen, zoals droogte. Alhoewel het dagelijks regent in het regenwoud drogen de kruinen van de bomen zeer snel weer op. Epifyten staan dus een groot deel van de dag droog. Ze vertonen aanpassingen om onder deze omstandigheden te overleven. Ze kunnen snel water opnemen, ze kunnen water opslaan en ze zijn in staat om het verlies van water grotendeels te beperken. Veel epifyten maken een speciaal soort vrijhangende wortels. Deze luchtwortels hangen als lange slierten omlaag en zijn vaak omgeven door een sponsachtig weefsel : het velamen. Dit velamen kan zich snel met water volzuigen. Het water wordt dan langzaam opgenomen door het inwendige van de wortel. Zo kan de luchtwortel, ook na een korte regenbui, voldoende water opnemen. Orchideeën en verschillende aronskelkachtigen hebben luchtwortels met een velamen. De bromelia's nemen water op via hun bladeren, hun wortels dienen alleen om de plant te verankeren. Verschillende soorten vormen met hun bladeren brede kokers. Regenwater blijft hierin staan en er ontstaan kleine plasjes waarin talrijke andere planten en dieren, zoals pijlgifkikkers leven. Een grote plant kan tientallen liters water bevatten. De bromelia neemt water op via microscopische schubben die op de bladeren voorkomen. Bij sommige soorten zijn deze schubben te zien als een grijs poeder op de bladeren. Andere leden van de bromeliafamilie; de tillandisia's vormen geen bladkokers. Zij leven letterlijk van de dauw. Hun bladeren zijn bedekt met kleine schubben, trichomen, die water uit de lucht opnemen. Tillandsia's zijn goed bestand tegen langere periodes van droogte. Het Spaans mos (Tillandsia usneoides) heeft geen wortels. De plant groeit als lange grijze slierten op takken en zelfs op kabels.

Water opslaan
Om de droge periodes, tijdens de dag of tijdens het droge seizoen, door te komen slaan verschillende soorten epifyten water op. Epifytische cactussen slaan, net als hun familieleden in de woestijn, water op in hun stengels. Deze zijn afhangend, rolrond, langgerekt of breed afgeplat. In deze vlezige stengels wordt water opgeslagen. Verschillende soorten orchideeën hebben verdikte stengels waarin ze een watervoorraad opslaan. Deze stengels noemen we pseudo-bulben, het water hierin stelt de orchideeën in staat om droogteperiodes te overleven. Er zijn ook epifyten zoals de Peperomia-soorten of de aziatische Hoya-soorten die water opslaan in hun succulente bladeren.

Geen water verliezen
Om zo weinig mogelijk water te verliezen zijn de bladeren van veel epifyten bedekt met een dikke waslaag. Sommige soorten zijn grijsachtig behaard. Deze beharing weerkaatst het zonlicht en beschermt de plant tegen uitdrogen en oververhitting. De bladeren van sommige epifyten zijn erg klein, sommige soorten zoals bepaalde orchideeën en cactussen hebben helemaal geen bladeren meer. Hier nemen de stengels, en in sommige gevallen zelfs de wortels, de fotosynthese voor hun rekening. Er zijn ook fysiologische aanpassingen. Veel epifyten, net als veel woestijnplanten, kunnen hun huidmondjes 's nachts openen en CO2 opnemen. Overdag blijven de huidmondjes dicht en gaat er dus geen water verloren. Ook bij andere epifyten dan cactussen, bijvoorbeeld bij orchideeën treffen we dit systeem regelmatig aan.

Mineralen en voedsel opnemen
Niet alleen water kan schaars zijn, ook substraat om in te wortelen schept problemen. Door hoog boven de begane grond te groeien kunnen epifyten niet in de aarde wortelen, ze dienen zelf voor het nodige substraat te zorgen. De grote, open rozetten van verschillende aronskelkachtigen en van de vogelnestvaren (Asplenium nidus) vangen vallende bladeren op. Uit de afbraak van deze bladeren komen mineralen en humus vrij die de plant gebruikt om te groeien. Vaak groeien de wortels van deze planten in de rozet zelf. Bepaalde varensoorten zoals de hertshoornvarens (Platycerium) en verschillende Drynaria-soorten zijn hiervoor nog beter uitgerust. Ze vormen twee types bladeren. De groene bladeren vormen sporen en staan in voor de fotosynthese. De rechtopstaande nestbladeren worden bruin en zijn steriel. Ze vormen een koker waarin bladafval samenvalt. In deze koker groeien de wortels van de plant. Deze varens maken hun eigen bloempot. Sommige epifyten zoals bepaalde soorten Anthurium maken een warrig netwerk van luchtwortels waarin vallende bladeren en twijgen blijven hangen. Deze worden afgebroken en de wortels nemen de vrijgekomen mineralen en voedingsstoffen op. Epifytische mierenplanten zoals de mierenplant Myrmecodia en de urnenplanten (Dischidia pectenoides en D. rafflesiana) bekomen hun mineralen door een symbiose aan te gaan met mierenkolonies. Bij de mierenplant wonen mierenkolonies in een opgezwollen deel van de stengel, bij de urnenplanten zijn er blaasvormige bladeren waarin mieren wonen. De mieren stapelen allerlei brokjes organisch materiaal op in hun nesten. Hieruit halen de planten, met behulp van hun wortels of met speciale kliertjes, mineralen en voedingsstoffen.

Meer weten?
Moffett, M.W. (1993), The high frontier. Exploring the tropical rainforest canopy.

Voor vragen over een bezoek aan de Plantentuin, contacteer Patrick Bockstael (Tel.: + 32 2 260 09 70).

Plantentuin Meise
Domein van Bouchout
B-1860 Meise