Plantentuin Meise



Het subtropisch regenwoud

  • Waar te zien in de Plantentuin:

    De Lentekas geeft een overzicht van de subtropische wouden.
    In de Evolutiekas groeien een aantal vertegenwoordigers van de Canarische laurierbossen en van de afrikaanse bergwouden.
    Andere vertegenwoordigers uit deze streken kan u in de openluchtverzamelingen vinden.

Overal regenwouden?
In de tropen, langs de evenaar, groeit het tropisch regenwoud. Regenwouden worden gekenmerkt door een lang groeiseizoen, waarin alle voorwaarden voor een goede plantengroei vervuld zijn. De temperatuur is voldoende hoog, er is volop licht en er valt genoeg neerslag.
In koelere klimaatszones zijn er er ook gebieden waar deze voorwaarden bijna het ganse jaar door goed zijn. Ook hier groeien regenwouden. Zo groeit er in het noordwesten van de Verenigde Staten, waar het soms sneeuwt, een gematigd regenwoud. Dit bestaat vooral uit grote, immergroene coniferen, met talrijke mossen en varens als epifyten. De kustmammoetboom (Sequoia sempervirens) is afkomstig uit dit type van bos.
Andere delen van de wereld hebben een zachter klimaat met duidelijke seizoenen. De winters zijn kort en droog en het vriest er zelden of nooit. De zomers zijn warm, maar nooit heet, met overvloedige regenval. Ook hier duurt het groeiseizoen bijna het hele jaar. De bodems in deze streken zijn voedzaam en rijk aan organisch materiaal. Hier komt het subtropisch regenwoud of het immergroen loofbos voor.

Waar groeit het subtropisch regenwoud?
Op het noordelijk halfrond vinden we alleen nog maar restanten van deze bossen. Ze groeien vooral in China, Japan en aan de voet van de Himalaya, streken die reeds duizenden jaren geleden door de mens in cultuur werden gebracht. Ook de laurierbossen (laurisilvae) van de Canarische eilanden, de Azoren en Madeira worden als subtropisch regenwoud beschouwd. Verder groeit het subtropisch regenwoud ook verspreid op de flanken van een aantal Afrikaanse bergketens, ten noorden en ten zuiden van de evenaar.
Op het zuidelijk halfrond, in Nieuw-Zeeland, zuidelijk Australië, Tasmanië en Chili, groeien nog ongeschonden immergroene loofbossen. Ook hier echter wordt de verstoring door menselijke activiteiten steeds erger.
Het subtropisch regenwoud is niet hetzelfde als het subtropisch hardbladig bos. Dit vinden we vooral, maar niet alleen, terug in gebieden met voornamelijk winterregens zoals rond het mediterrane bekken. Door lokale invloeden, zoals bergketens, kunnen, bijvoorbeeld in de Himalaya, subtropisch hardbladig bos en subtropisch regenwoud in elkaars nabijheid groeien.

Driftige continenten
In de zuidelijke subtropische regenwouden vinden we botanische bewijzen van de continentendrift. Zuid-Amerika en Australië en ook Nieuw-Zeeland lagen tijdens het Krijt samen en vormden een deel van het continent Gondwana. Later splitste zich dit continent op en dreven de verschillende onderdelen uit elkaar. Plantengroepen die op Gondwana ontstonden, vinden we vandaag de dag dus terug op ver van elkaar gelegen plekken.
Zo komen er in Nieuw-Zeeland en Chili sterk verwante groepen voor die we nergens anders vinden. Voorbeelden daarvan zijn de zuidelijke beuk (Nothofagus) en ook enkele fuchsiasoorten. Soms komt dezelfde plantensoort in beide gebieden voor, Libertia ixioides is daar een voorbeeld van. Ook coniferen zoals Podocarpus en Araucaria vinden we op beide plekken terug, alhoewel er vandaag duizenden kilometers oceaan tussen liggen.
Deze continentendrift verklaart ook waarom er, qua soortensamenstelling, weinig overeenkomsten zijn tussen de subtropische regenwouden van het noorden en het zuiden. Ze ontstonden immers op totaal verschillende continenten. Wel vertonen de verschillende soorten gelijkaardige aanpassingen.

Gelijkenissen met het tropisch regenwoud
Het immergroene loofbos of subtropisch regenwoud vertoont overeenkomsten met het tropisch regenwoud. De meeste bomen zijn immergroen, ze houden hun bladeren het ganse jaar. Meestal vormen ze geen overwinteringsknoppen. De schors van de bomen blijft vrij dun.
Op de takken en de stammen van de bomen groeien veel epifyten zoals mossen, orchideeën en varens. Door de hoge vochtigheid en de hogere temperaturen kunnen deze levensvormen hier makkelijk overleven. Er zijn talrijke houtige klimplanten of lianen, ook kruidachtige klimmers komen rijkelijk voor.
Levensvormen die we enkel associeren met de tropen komen ook in het subtropisch regenwoud voor. Naast palmen en boomvarens groeien er talrijke reuzenkruiden : siergembers (Hedychium), porseleingembers (Alpinia) en ook Nieuw-Zeelands vlas (Phormium tenax), zijn kruidachtige planten die grote afmetingen kunnen aannemen.

Gelijkenissen met de bossen uit gematigde streken
Er zijn ook overeenkomsten met de bossen uit onze gematigde streken. De bomen in het subtropisch regenwoud blijven over het algemeen lager dan de reuzen uit het tropisch regenwoud. Ze vormen ook geen plankwortels of steltwortels. Hun wortelstelsel lijkt sterk op dat van bomen uit loofwerpende bossen. Ze vormen een breed en ondiep netwerk van kleinere wortels, afgewissseld met recht omlaaggroeiende verankeringswortels.
In het subtropisch regenwoud groeien talrijke struiken, een plantaardige levensvorm die we in het tropisch regenwoud minder vinden, maar die in onze streken heel gewoon is. Op het noordelijk halfrond zijn deze struiken bovendien nauw verwant aan inheemse en Europese soorten. Zo groeien er in China en Japan bijvoorbeeld talrijke soorten viburnum, hulst, rododendron en liguster. Een aantal winterharde soorten daarvan hebben hun weg gevonden naar onze tuinen.
Op de bosvloer komen kruidachtige planten voor, net als in de bossen van de gematigde streken. Sommige van deze kruiden hebben ondergrondse reserveorganen zoals knollen of wortelstokken (rizhomen).
In het subtropisch regenwoud vinden we over het algemeen ook dezelfde lagen terug als in bossen van gematigde streken : een boomlaag, een struiklaag, een kruidlaag en tenslotte een moslaag.

Waarom immergroen?
Immergroene loofbomen zijn de meest succesvolle planten ter wereld. Niet alleen domineren zij het tropisch regenwoud, ze komen ook nog eens voor in de subtropische en zelfs sporadisch in de gematigde streken. Ze hebben een aantal zeer efficiente aanpassingen. Hun hout bevat grote houtvaten waardoor ze goed water in de hoogte kunnen transporteren. Zo kunnen ze reusachtige afmetingen bereiken en boven alles uit groeien.
Met hun immergroene bladeren kunnen ze op elk gunstig moment aan fotosynthese doen, zo profiteren ze maximaal van invallend licht. Voorwaarde is echter dat er veel water beschikbaar is. De immergroene bladeren verdampen immers permanent water. In streken met een droog seizoen hebben de meeste immergroene bomen kleine harde bladeren. Deze bladeren hebben aanpassingen om het waterverlies te beperken.
In streken met een koud en donker seizoen hebben immergroene loofbomen geen duidelijk voordeel. Het grootste probleem hier zijn de vriesperiodes, het water in de bodem is bevroren en niet beschikbaar voor de plant. Bovendien is er weinig licht en kan er dus slechts sporadisch aan fotosynthese gedaan worden. In onze streken is het oorspronkelijk aantal inheemse immergroene struiken dan ook erg beperkt: hulst, liguster en buxus, en dan telkens maar één of twee soorten.

Illustere bekenden
Alhoewel het subtropisch regenwoud slechts een klein oppervlakte van de planeet beslaat leverde het toch enkele planten op met een wereldwijde invloed. Zo komen zowel de theestruik (Camellia sinensis) als de verschillende citrusvruchten (Citrus) uit deze gebieden.
Uit de kamferboom (Cinnamomum camphorum) wordt kamfer gewonnen. Kamfer werd gebruikt als verdovend middel maar ook als insectenwerend product. Het diende ook als grondstof voor de productie van celluloide, wat dan weer één van de grondstoffen van de filmindustrie werd.
De gekende oosterse paddestoel sjitake (Lentinus edodes) is afkomstig uit de Japanse immergroene bossen, deze paddestoel wordt gekweekt op het hout van Castanopsis-soorten, hij wordt zowel vers als gedroogd gebruikt in de oosterse en de "fusion"-keuken.
Tenslotte hebben talrijke planten uit deze bossen een verregaande invloed gehad op de westerse tuinbouwkunst of de horticultuur. Rododendrons, mahonia's en camellia's, zijn afkomstig uit deze wouden. Sommige soorten zijn in onze streken slechts beperkt winterhard, voorbeelden hiervan zijn de Chinese henneppalm (Trachycarpus fortunei) of de Japanse vezelbanaan (Musa basjoo). Andere soorten zoals Nieuw-Zeelands vlas (Phormium), cordyline's en hebe, worden als kuipplant gekweekt.

Meer weten?
Grau, J. & Zirka, G. (1992) Flora silvestre de Chile. Palmengarten, 19.
Hübl, E. (1998) Lorbeerwälder und Hartlaubwälder: Ostasien, Mediterraneis und Makaronesien. In Düsseldorfer geobotanische Kolloquien, 5.
O
vington, J.D. (ed.) (1983) Temperate broad-leaved evergreen forests. Ecosystems of the world, 10.
Plantentuin Universiteit Gent (1998) Canarische eilanden, plantenweelde in een notendop.
Polunin, O. & Stainton, A. (1997) Concise flowers of the Himalaya.
Valder, P. (1999) The Garden plants of China.
Walter, H. (1968) Die vegetation der Erde.


Voor vragen over een bezoek aan de Plantentuin, contacteer Patrick Bockstael (Tel.: + 32 2 260 09 70).

Plantentuin Meise
Domein van Bouchout
B-1860 Meise