Plantentuin Meise



Mierenplanten

  • Waar te zien in de Plantentuin:

    In de Victoriakas zijn enkele mierenplanten samengezet ten zuiden van het bassin. In regenwoudkas E staat de cecropiaboom, in kas M de stierenhoornacacia.

Cecropia, een typische pioniersboom van het secundair bos

Wat zijn mierenplanten?
Van de ongeveer 300.000 soorten bloemplanten zijn er zo'n goeie 500 soorten die op een bepaalde manier een verbond hebben gesloten met mieren. Elk op hun manier leven deze planten samen met mierenkolonies. Beide partners halen voordeel uit deze samenwerking, het is een echte symbiose. De mieren krijgen meestal voedsel en/of onderdak van de plant, terwijl de plant door de mieren beschermd wordt tegen planteneters of zelfs tegen andere planten. Mierenplanten vinden we op alle continenten, meestal in de tropen. Er zijn mierenvarens, mierenbomen, mierenpalmen, mierenaronskelken en zelfs mierenorchideeën. In de loop van de evolutie is het samenwerkingsverband tussen planten en mieren dus herhaaldelijk opgetreden. Meestal is er een vast verband tussen de plantensoort en de mierensoort.

De mierenplanten in de koffiefamilie
Veel planten van de koffiefamilie (Rubiaceae) hebben een bijzondere relatie met mieren. In laaglandregenwouden nabij rivieren waar vaak overstromingen optreden en waar de bodem vochtig is bouwen verschillende mierensoorten hun nest hoog boven de grond. De wanden van het nest zijn gemaakt van halfvergane plantenresten, waarbij leem als cement gebruikt wordt om deze aan elkaar te lijmen. Als gastplant kiezen de mieren vaak een Rubiaceae-soort. Op deze planten vindt men vaak grote aantallen schildluizen die zich met plantensappen voeden en vloeistoffen met een hoge suikerconcentratie afscheiden. Deze vloeistoffen worden door de mieren als voedsel gebruikt, terwijl zij op hun beurt de luizen tegen vijanden beschermen.
Bepaalde Rubiaceae hebben zich zodanig aan bewoning door mieren aangepast, dat zij structuren gevormd hebben, waarin de mieren kunnen wonen. Deze structuren zijn zeer uiteenlopend en variëren van holle stengels tot zakjes of blaasjes aan de basis van de bladeren. De sterkste aanpassingen hebben plaatsgevonden bij de mierenplanten (Myrmecodia en Hydnophytum) Deze groeien van nature in tropisch Azië en Australië. Het zijn epifyten, ze vormen grote knollen aan de basis van hun stengel. Deze zijn hol en bevatten een netwerk van gangen en holten waarin mierenkolonies leven. De plant en de mieren hebben een symbiotische relatie die in hun beider voordeel werkt. De plant bezorgt de mieren een beschutte nestplaats, terwijl zij op hun beurt de plant beschermen tegen vraatzuchtige insecten. Daarnaast bezorgen de mieren de plant ook voedsel. In de opgezwollen knol heeft de plant kleine kliertjes die voedsel kunnen opnemen. Afgestorven mieren en brokjes organisch materiaal worden afgebroken en de voedingsstoffen worden uiteindelijk door de plant opgenomen.

In talrijke plantengroepen vinden we mierenplanten terug. Enkele voorbeelden.

De urnenplant
De urnenplant (Dischidia pectenoides) vormt holle bladeren die als nest voor de mieren kunnen fungeren. De mieren slepen allerlei organisch materiaal aan dat ze opstapelen in hun nesten. De plant vormt adventiefwortels die in de holle bladeren groeien. Zo kan hij mineralen opnemen uit het materiaal dat de mieren samenbrengen. De mieren krijgen een veilig nest.

De mierenvarens
De epifytische mierenvaren (Lecanopteris) vormt een stevige, holle wortelstok. Hierin komen mierenkolonies voor. Ook hier profiteert de plant van de mineralen uit het organisch materiaal dat de mieren in hun nest opstapelen. De mieren krijgen een prefab-nest.

De stierenhoornacacia
De stierenhoornacacia (Acacia cornigera) is een pioniersboom uit Latijns-Amerika. In de holle doornen wonen agressieve mierensoorten. Deze mieren houden de plant vrij van ongedierte, elk insect dat op de stierenhoornacacia terecht komt, wordt onmiddellijk opgegeten of verjaagd door de mieren. Ook klimplanten die op de acacia willen groeien, of zelfs planten die te dicht in de buurt van de boom staan worden vernietigd door de mieren.
Naast een nestplaats in de holle doornen biedt de acacia ook nog voedsel aan de mieren. Op de deelblaadjes ontstaan kleine uitgroeiingen die zeer rijk zijn aan proteïnen. Ook bij talrijke Afrikaanse acaciasoorten treffen we deze vorm van symbiose aan.

De cecropia (Cecropia)
Deze tropisch Amerikaanse pioniersboom leeft samen met de zeer agressieve Azteca-mierensoorten. De mieren wonen in de holle stam. Als je op de stam klopt kan je duidelijk horen dat hij hol is. Boven de aanhechtingsplaats van de bladeren is de wand van de stam zeer dun, hier kan hij door mieren gemakkelijk doorboord worden zodat ze toegang krijgen tot de holtes. Net als bij de stierenhoornacacia verdedigen de mieren "hun" boom.
Ook de cecropia voedt "zijn" mieren. Aan de voet van de bladsteel ontstaan kleine staafjes die rijk zijn aan koolhydraten. Deze lichaampjes-van-Muller worden door de mieren gegeten.

Mierenpalmen
Rotanpalmen zijn klimmende palmen uit de Aziatische regenwouden. Uit hun lange buigzame stengels worden rotanmeubels gemaakt. Onder deze rotanpalmen vinden we een aantal soorten die in symbiose leven met mieren.
De planten zijn vaak zwaar gewapend met stekels. Ze klimmen met behulp van lange uitgroeisels die bedekt zijn met gekromde weerhaken. Deze uitgroeisels zwiepen rond in de wind en hechten zich vast aan de begroeiing. Veel rotanpalmen hebben een vezelige schede rond hun groeitop. In deze schede wonen mierenkolonies. Deze zijn zeer agressief en bijten alles wat "hun" palm aanraakt.

Een mierenorchidee (Schomburgkia tibicinis)
De pseudobulben van de mierenorchidee zijn hol en bieden nestplaats aan mieren. Deze mieren brengen organisch afval aan voor de plant. Beide partijen doen er hun voordeel aan.

Een mierentillandsia (Tillandisia caput-medusae)
De bladbasissen van de mierentillandsia vormen een soort kamer. In deze holtes leven mieren-kolonies. Deze stapelen organisch afval op in hun nesten.

Mierenbroodjes
Veel zaden van bloemplanten hebben een vlezig uitgroeisel. Dit ontstaat uit een deel van de zaadhuid. Dit elaiosoom of "mierenbroodje" is zeer rijk aan vetten en koolhydraten. Mieren zijn er verlekkerd op. Wanneer een mier een dergelijk zaad vindt dan sleurt ze het elaiosoom en natuurlijk ook het daaraan zittende zaad mee naar het mierennest. Na verloop van tijd laat het elaiosoom los en blijft het zaad alleen achter, voldoende ver van de ouderplant om zonder competitie te kunnen groeien.
Voorbeelden hiervan zijn ondermeer bosanemoon (Anemona nemorosa), stinkende gouwe (Chelidonium majus) en verschillende inheemse viooltjes. Bij de wonderboon (Ricinus communis), die vaak als eenjarige sierplant wordt gebruikt, is dit mierenbroodje zeer groot en goed te zien.

Voor vragen over een bezoek aan de Plantentuin, contacteer Patrick Bockstael (Tel.: + 32 2 260 09 70).

Plantentuin Meise
Domein van Bouchout
B-1860 Meise