Plantentuin Meise



Het tropisch regenwoud: welke planten groeien er?

  • Waar te zien in de Plantentuin: De regenwoudkassen van het Plantenpaleis zijn de kassen C, D, E, F en G.

Cecropia, een typische pioniersboom van het secundair bos

Een krappe woningsmarkt
Het vinden van een gunstig plekje om te groeien is één van de grootste problemen voor planten in het tropisch regenwoud. De bomen losten dit probleem op door reusachtig groot te worden. De competitie tussen de bomen is echter zeer groot en van duizenden zaailingen zullen slechts een handvol het volwassen stadium bereiken. Om een goeie plek te vinden om te groeien ontstonden talrijke plantaardige levensvormen, sommige hiervan vinden we niet in gematigde streken. Er zijn houtige lianen, epifyten, reuzenkruiden, schaduwplanten, parasieten, wurgers en pioniersbomen.

Houtige lianen
Houtige klimmende planten of lianen zijn een belangrijke groep in het tropisch regenwoud. Deze planten klimmen hoog in de bomen, zij profiteren van de steun van de bomen om voldoende licht te vinden zonder dat ze zelf zware stammen of takken moeten maken. Afhankelijk van de soort klimmen deze planten omhoog met behulp van hun ranken, stengels, bladeren of stekels en doornen; sommige soorten klimmen zelfs met hun wortels. Lianen kunnen vrij dik worden, hun lengte blijft echter disproportioneel met hun dikte. Zo kunnen de rotanpalmen in Zuid-Oost-Azië meer dan 100 meter lang worden, hun stam blijft echter steeds ongeveer 25 cm dik. Door de aanwezigheid van lianen is het vellen van bomen in het tropisch regenwoud extra vernietigend. Verschillende bomen zijn met elkaar verbonden via een netwerk van stevige lianen. Bij de val van één boom worden er talrijke andere meegesleurd.

Epifyten
Een andere zeer belangrijke groep planten in het tropisch regenwoud zijn de epifyten. Epifyten leven op de stammen en takken van bomen, zo profiteren ze mee van de structurele eigenschappen van de bomen, het zijn echter geen parasieten. Er zijn grote voordelen aan de epifytische groeiwijze : grote planteneters kunnen de planten niet bereiken en de kroonlaag beschermt hen tegen grote hitte en te fel licht. Er zijn echter ook grote nadelen. Er is geen vaste bodem om in te wortelen, er zijn weinig voedingsstoffen ter beschikking en uitdroging is een probleem. Epifyten hebben talrijke oplossingen voor deze problemen ontwikkeld. Een gekend voorbeeld van epifyten zijn de verschillende soorten bromelia's, maar ook talrijke orchideeën, varens, aronskelken en zelfs cactussen komen als epifyt voor.

Reuzenkruiden
Op jonge open plekken in het tropisch regenwoud groeien talrijke kruidachtige planten, deze hebben een vrij korte levenscyclus en kunnen snel zaden of sporen produceren. Verschillende van deze kruidachtige planten nemen reusachtige afmetingen aan : het zijn reuzenkruiden. Voorbeelden zijn boomvarens, helliconia's, bananen en gemberachtigen. Deze planten kunnen zeer snel groeien, ze zullen echter zelden verhoute onderdelen vormen. Deze soorten hebben zeer veel licht nodig om goed te groeien.

Schaduwplanten
Op de bosvloer zelf vinden we enkele kleine kruidachtige planten. Dit zijn allemaal soorten die zich tevreden stellen met minimale hoeveelheden licht. Sommige van deze kennen we kamerplant, Fittonia en Maranta zijn hier goede voorbeelden van. Vele van deze planten hebben bijzondere aanpassingen om het schaarse licht zo efficient mogelijk op te vangen. De rode onderkant van de bladeren is een pigmentrijke laag die het licht terugkaatst naar het binnenste van het blad. Sommige soorten hebben een soort van kleine lensjes op het bladoppervlak. Deze lensjes bundelen het licht in kleine straaltjes die heel efficient kunnen gebruikt worden. Indien er al grassen voorkomen zijn ze vaak niet als dusdanig te herkennen. De meeste grassen in het tropisch regenwoud hebben brede bladeren om veel licht op te vangen.

Parasieten
In de bodem van het tropisch regenwoud komen planten voor als parasiet. Ze kunnen volledig zonder licht leven en zijn dus ook niet groen gekleurd.Vaak leven ze in de wortels van andere planten en halen ze hieruit hun voedingsstoffen. Pas op het moment dat de parasiet gaat bloeien zal hij opvallen. Het meest gekende voorbeeld hiervan is de Rafflesia, deze produceert de grootste bloemen te wereld. Er zijn bloemen gekend van meer dan 1 m doorsnede en met een gewicht van 7 kilogram.

Wurgers
In alle regenwouden van de wereld komt een bijzondere plantaardige levensvorm voor : de wurger. De meeste soorten wurgers zijn vijgensoorten (Ficus), we spreken dus ook vaak van wurgvijgen, er zijn echter ook andere groepen, zoals Clusia, waar we deze levensvorm vinden. De wurgers beginnen hun leven als onschuldige epifyt. Ze groeien als klein plantje op een tak van hun gastheer. Naarmate ze groter worden, laten ze hun wortels omlaag zakken, op zoek naar de vaste grond. Op het moment dat de wortels contact maken met de bodem begint de plant sterk te groeien. De kruin begint sterk uit te schieten en vangt het licht weg van de gastheerboom. De omlaaghangende wortels verdikken en worden houtig en stevig. Er worden steeds meer wortels gevormd die bovendien met elkaar vergroeien. De gastheer geraak omgeven met een wurgend netwerk van wortels. De gastheerboom kan niet meer verder groeien en wordt letterlijk gewurgd en sterft af. De wurgvijg overleeft en neemt de groeiplaats in. De gekende kamerplant Ficus benjamina is een wurger.

Pioniersbomen
Wanneer in het tropisch regenwoud een open plek ontstaat dan wordt deze al snel overwoekerd door kruidachtige planten en door de reuzenkruiden De competitie om een groeiplaats is hier bijzonder hevig. Al snel beginnen er ook pioniersbomen te groeien en ontstaat er secundair regenwoud. Deze pioniersbomen hebben een aantal bijzondere aanpassingen. Hun zaden hebben veel licht nodig om te ontkiemen en ook de jonge planten hebben volle zon nodig om te groeien. De pioniersbomen groeien zeer snel. Sommige soorten produceren zeer licht hout dat weinig koolstof vergt (bv balsahout van Ochroma pyramidale). Andere soorten zoals Cecropia zijn hol, dit vergt nog minder koolstof. Veel pionierbomen hebben een symbiotische relatie met mieren. Ze geven mierenkolonies voedsel en onderdak, in ruil beschermen de mieren 'hun' plant. Voorbeelden hiervan zijn de stierenhoornacacia (Acacia cornigera) en de Cecropia. De parasolboom (Musanga cecropioides) ontkiemt vaak op wortelkluiten of op de stammen van omgevallen bomen zelf. Zo heeft deze plant al enkele meters voorsprong op de andere planten. Later ontwikkelt de parasolboom steltwortels. Wanneer de kluit of de stam onder de boom wegrot dan blijft de parasolboom op deze steltwortels staan. De grote bladeren van de pioniersbomen vangen veel zonlicht op en werpen een diepe schaduw. De meeste andere planten kunnen in deze schaduw niet overleven. De zaden van de boomsoorten van het primair regenwoud hebben echter diepe schaduw nodig om te kunnen kiemen, ook de jonge zaailingen van deze climaxbomen hebben de schaduw nodig om zich te ontwikkelen. Na ongeveer 50-100 jaar zullen deze bomen de pioniersbomen overgroeien, het tropisch regenwoud zal zich herstellen. Dit kan echter alleen wanneer er in de buurt voldoende ongeschonden, of primair, tropisch regenwoud aanwezig is. Van hieruit kunnen de zaden van de climaxbomen verspreid worden.

Voor vragen over een bezoek aan de Plantentuin, contacteer Patrick Bockstael (Tel.: + 32 2 260 09 70).

Plantentuin Meise
Domein van Bouchout
B-1860 Meise