Plantentuin Meise



Slijmzwammen, bijzondere creaties van de natuur
(Myxomycetes)

  • Waar te zien in de Plantentuin : De verzameling slijmzwammen wordt in gedroogde toestand bewaard in het herbarium van de Plantentuin voor wetenschappelijk onderzoek. Slijmzwammen kan men echter in de vrije natuur ontdekken mits een beetje speurwerk. Op bepaalde plekken in het domein laten we de natuur haar gang gaan. Wedden dat u daar slijmzwammen ontdekt.

Physarum pezizoideum

Na een zorgvuldige zoektocht tijdens de zomer of vroege herfst, voornamelijk na een periode van regenachtig weer zal bijna ieder bebost terrein, vruchtlichamen van een opmerkelijke groep organismen herbergen, nl. slijmzwammen. Naast de acellulaire of plasmodiale slijmzwammen zijn er ook celullaire slijmzwammen (Dictyostelidae). Deze laatste vormen een belangrijk onderdeel in de microflora van de bodem en nemen een niet te verwaarlozen plaats in, bij het behoud van het natuurlijk evenwicht tussen bacteriën en ander micro-organismen in de bodem. Hier gaan we echter alleen in op de plasmodiale slijmzwammen, ook wel myxomyceten genoemd.

Slijmzwammen mogen dan wel een weinig aantrekkelijk naam dragen, de leden van deze groep produceren vruchtlichamen met een grote verscheidenheid aan vormen en kleuren. De meeste myxomyceten zijn amper een paar millimeter groot. Over de plaats van deze myxomyceten in de indeling der levende wezens bestaan heel wat opvattingen. Ze vormen een kleine, relatief homogene groep van eukaryotische organismen (d.w.z. met celkern) en worden dikwijls geplaatst tussen de dieren (wegens hun voortbeweging) en de fungi of echte zwammen (omdat ze sporen produceren). Hun verzamelnaam is afgeleid van de Griekse woorden "myxa" wat slijm en "myketes" wat zwam betekent. Slechts een 1000-tal soorten zijn tot op heden bekend.

Voorkomen
In de tijd die aan de vorming van vruchtlichamen voorafgaat, voeden ze zich met organisch materiaal, bv. bacteriën en schimmels. Het ligt voor de hand dat ze dan ook op deze plaatsen worden aangetroffen waar dit voedsel in voldoende mate aanwezig is. Vooral boomstronken die al gedeeltelijk vergaan zijn, bladafval, dierlijke faecaliën en composthopen zijn geliefkoosde verblijfplaatsen voor de slijmzwammen, maar ook op stenen, glas of plastiek kunnen ze groeien. Myxomyceten kan men het hele jaar door aantreffen, hoewel voor de meeste soorten vochtig en tegelijk warm weer het gunstigst is. Deze voorwaarden gelden vooral tijdens zomers met een flinke regenval en vrijwel altijd in de herfst. Wat de geografische verspreiding betreft kan worden opgemerkt dat zeer veel soorten kosmopolieten zijn; dit wil zeggen dat ze zowat over de hele aardbol kunnen voorkomen.

Levenscyclus
Voor het grootste gedeelte van zijn leven bestaat een slijmzwam uit een vrijlevende massa van protoplasma, het plasmodium. Deze massa kan meerdere centimeters in diameter aannemen en is slijmerig bij aanraking, vandaar hun naam. Deze kruipende protoplasma-massa voedt zich met micro-organismen. De massa laat meestal een glanzend kruipspoor achter. De plasmodia die zeer felle kleuren kunnen vertonen, worden meestal gevonden in koele, vochtige en schaduwrijke plaatsen zoals spleten, onder de schors van afgestorven takken... Bij ongunstige omstandigheden, zoals droogte en voedseltekort, kan een plasmodium zich samentrekken. Hierbij worden de inwendige gedeelten van een stevige wand voorzien en ontstaan sclerotia. Onder gunstige omstandigheden, na voldoende voedselopname en soms onder invloed van licht, gaat een plasmodium over tot vorming van 1 of meer grote of kleine vruchtlichamen. Er kunnen gesteelde, afzonderlijke vruchtlichamen gevormd worden die we sporangia noemen. Gedurende de periode waarin het plasmodium bezig is vruchtlichamen te vormen, is het in het algemeen uiterst kwetsbaar, omdat het dan niet in staat is sclerotia te vormen. De sporen worden op de steel en binnen de wand van het vruchtlichaam gevormd. Het vruchtlichaam barst bij rijpheid en scheurt open, waarna de meestal ronde en wrattige sporen zich als roodbruine, purperbruine tot bruinzwarte wolkjes via de wind verspreiden. Onder gunstige omstandigheden gaan de sporen kiemen en produceren zo meestal 1 tot 4 haploïde, vrije protoplasten. Sommige bezitten een zweephaar en noemen we myxomonaden en anderen gedragen zich amoeboïd en noemen we myxamoeben. In vochtige omstandigheden zullen vooral protoplasten met zweephaar gevormd worden terwijl in droge condities de amoeboïde vorm domineert. Deze 2 vormen kunnen ten alle tijden in mekaar overgaan. Bij ongunstige omstandigheden kunnen deze protoplasten ook nog tijdelijk tot overlevingssporen omgevormd worden die we microcysten noemen. Uiteindelijk gaan 2 compatibele myxamoeben of myxomonaden versmelten tot een diploïde zygote. Deze zygote gaat zich daarna voeden en groeien met de uiteindelijke vorming van het plasmodium. Binnenin dit plasmodium gebeurt een groot aantal synchrone kerndelingen waardoor de cyclus helemaal rond is.

Herbarium
In mei 1996, na het overlijden van Elly Nannenga-Bremekamp, één der grootste myxomyceten-specialisten van de wereld, werd haar herbarium overgebracht naar de Plantentuin Meise. Het herbarium omvat 17.399 beschrijvingen van myxomyceten-specimens afkomstig uit de hele wereld, 14.296 exsiccaten (gedroogd materiaal) allemaal netjes bewaard in luciferdoosjes, ± 6500 tekeningen en 11.575 microscopische preparaten. Omwille van de grote wetenschappelijke waarde van dit herbarium engageerde de Plantentuin zich om Elly Nannenga-Bremekamps werk verder te zetten en op die manier ter beschikking te stellen aan de internationale wetenschappelijke gemeenschap.

Voor vragen over een bezoek aan de Plantentuin, contacteer Patrick Bockstael (Tel.: + 32 2 260 09 70).

Plantentuin Meise
Domein van Bouchout
B-1860 Meise