Plantentuin Meise



Vleesetende planten

  • Waar te zien in de Plantentuin: In het bassin van de Lentekas zijn de verschillende types van vallen samengebracht (Drosera, Pinguicula, Sarracenia, Darlingtonia, Utricularia) en in de Victoriakas kan u steeds de bekervallen van Nepenthes bewonderen.

Nepenthes

Waarom zijn er planten die vlees eten?
Er zijn weinig groepen planten die zo fascinerend zijn als de vleesetende planten. Het is natuurlijk wonderbaarlijk dat deze planten de rollen volledig omkeren. In plaats van gegeten te worden door dieren eten deze planten zelf dieren op.
Er zijn ongeveer 500 soorten vleesetende planten op de wereld. Het merendeel groeit in tropische gebieden maar ook in onze streken en in mediterrane gebieden kunnen we vlees- of, beter, insectenetende planten vinden. Alle vleesetende planten komen voor in milieus die uitzonderlijk arm aan mineralen zijn. Vaak vinden we hen terug in zure moerassen.
Net als alle levende wezens hebben planten voedsel nodig. Met behulp van zonlicht en koolzuurgas kunnen planten wel zelf suikers aanmaken maar andere belangrijke voedingsstoffen zoals mineralen moeten ze uit hun omgeving halen. De meeste planten nemen deze uit de bodem op, via hun wortels. In voedselarme gebieden is dit veel moeilijker. Om dit probleem op te lossen, eten vleesetende plantensoorten insecten op. De insecten bevatten essentiële mineralen en stikstof en vullen zo de voeding van de plant aan. Om de insecten te lokken, te vangen en te verteren ontwikkelden de insectenetende planten talrijke aanpassingen en mechanismen.

Bekervallen
Het meest eenvoudige type van val is de bekerval. Bij dit type van val zijn één of meerdere bladeren omgevormd tot langwerpige trechters of bekers. De binnenste randen van deze bekers zijn zeer glad. Dit komt omdat ze bezet zijn met microscopische schilfertjes was. Deze blijven aan de insectenpootjes kleven zodat ze helemaal geen houvast vinden.
Dergelijke beker vallen vinden we terug bij vele verschillende soorten, verspreid over bijna alle continenten. Bij vele bekerplanten heeft de val een soort van dekseltje, dit is volledig onbeweegelijk en dient enkel om bij regen te voorkomen dat de val vol water komt te staan, het is een parapluutje.
De meest eenvoudige bekers vinden we bij de Zuid-Amerikaanse zonnebekerplanten (Heliamphora). Deze groeien op grote hoogte in Guiana, er zijn 5 soorten. In de beker is nog duidelijk een gewoon blad te herkennen. De bladranden zijn over een deel van hun lengte met elkaar vergroeid en vorme zo een primitieve beker.
In Noord-Amerika, in de moerassen van het zuidoosten van de Verenigde Staten groeien de trompetbekerplanten (Sarracenia). Er zijn 9 soorten, deze vormen grote, rechtopstaande of liggende bekers. Eén soort, de papegaaibek-trompetbekerplant (S. psittacina) maakt bekers die waterdiertjes vangen. De andere soorten trekken vliegende insecten aan. Dit doen ze met opvallende kleuren, zoals bij de witte trompetbekerplant (S. leucophylla) of door overvloedige nectarprocductie aan de bekerrand, zoals bij de gele trompetbekerplant (S. flava). De kleine trompetbekerplant (S. minor) heeft een koepeltje boven de beker. Eenzelfde type van bekerval vinden we bij de slangenkopbekerplant (Darlingtonia californica). Hier is de koepel zeer groot en ruim bezet met grote doorschijnende zones. Onderaan de koepel bevindt zich een opening. Niets vermoedende insecten worden aangelokt en kruipen de koepel in. Als ze weer willen wegvliegen botsen ze tegen de doorzichtige bovenkant van de koepel, net zoals vliegen tegen een raam blijven aanvliegen. Na een tijdje vallen ze uitgeput omlaag, de beker in.
De Australische bekerplant (Cephalotus follicularis) vormt liggende bekers en trekt vooral mieren aan. De bekerplanten van het geslacht (Nepenthes, ongeveer 80 soorten) komen voor op Madagaskar en tropisch Azië. Het zijn klimmende planten die in voedselarme bossen en moerassen voorkomen. Ze vormen grote bekers aan het uiteinde van de bladeren. Deze bekers bevatten een vloeistof met verterende enzymes. De insecten worden door de felle kleuren van de beker aangelokt, de bekerrand is spiegelglad en de argeloze insecten vallen in de beker.
Ook bij andere groepen planten onstond in de loop van de evolutie de bekerval. Bij de Bromelia-achtigen Brocchinia reducta en Catopsis berteroniana wordt de beker gevormd door verschillende bladeren die samen een koker vormen. Ook hier worden insecten aangelokt en verteerd.

De kleefvallen
Een tweede type van val is de kleefval. Hier is een deel van de plant kleverig. Insecten worden aangelokt en blijven kleven aan de plant. Deze produceert dan spijsverteringsstoffen en de insecten worden langzaam opgelost en verteerd.
Het meest typische voorbeeld van kleefval vinden we bij de zonnedauwsoorten (Drosera, ongeveer 110 soorten). Uit onze streken kennen we vooral de kleine zonnedauw en de ronde zonnedauw. Deze groeien als kleine rozetten in voedselarme venen en heidegebieden.
Er zijn talrijke soorten, vooral in westelijk Australië. Er zijn klimmende zonnedauwsoorten, dwergsoorten van nauwelijks 1 cm diameter, sommige soorten vormen knollen om hete droge zomers te overleven. Er is zelfs een reuzenzonnedauw die tot 1 m breed kan worden (D. gigantea). Alle soorten hebben de typische, glinsterende druppels hun bladeren. Deze staan op klierharen en trekken insecten aan. Ze zijn erg kleverig en bevatten ze spijsverteringsstoffen. Wanneer een insect vast komt te zitten, buigen de klierharen zich naar het insect toe. Na enkele minuten kan zelfs het ganse blad zich rond het spartelende insect vouwen.
Bij twee andere geslachten, Byblis en Drosophyllum zijn verschillende onderdelen van de plant ook bezet met kleverige haren, in tegenstelling tot bij zonnedauw zijn deze haren niet beweegelijk.
Kleefvallen vinden we ook bij het vetblad (Pinguicula, ongeveer 120 soorten). Ook in onze streken groeit een soort vetblad. Wanneer insecten op het blad blijven kleven, kunnen de randen zich een beetje omkrullen, het blad blijft echter grotendeels onbeweegelijk.
Tenslotte is er nog de Afrikaanse liaan, Triphyophyllum peltatum, een plant die tot 40 meter lang kan worden en in een zuur milieu groeit. De jonge bladeren zijn bezet met kleverige klierharen en scheiden spijsverteringsenzymen af. Oudere bladeren verliezen deze eigenschap.

Actieve vallen
Deze val vinden we terug bij een aantal planten. Het meest gekende voorbeeld is de venusvliegenval (Dionea muscipula). Het blad is omgevormd tot een val die kan dichtklappen. Op elke bladhelft staan drie voelharen ingeplant. Wanneer een insect deze haren aanraakt klapt de val dicht. De haren moeten eigenlijk twee maal snel na elkaar beroerd worden. Op die manier vermijdt de plant dat de val ongewild dichtklapt, bijvoorbeeld door een vallende regendruppel.
Ook de planten van het geslacht blaasjeskruid (Utricularia, ongeveer 180 soorten) hebben actieve vallen. De meeste soorten zijn waterplanten die in voedselarm water leven. Sommige soorten groeien ook als epifyt. De val bestaat uit een klein blaasje met een beweeglijk luikje, omgeven door vertakte voelharen. In rusttoestand is het luikje dicht en staat de val in onderdruk. Wanneer de voelharen aangeraakt worden dan klapt het luikje open en wordt de prooi het blaasje ingezogen. Het luikje sluit zich weer en de val wordt klaargemaakt voor de volgende prooi. De planten voeden zich met raderdiertjes, watervlooien, muggenlarven en dergelijke.

Zelf kweken
De meeste carnivore planten uit gematigde streken zijn niet zo moeilijk te kweken. Ze hebben veel licht nodig en een koele rustperiode in de winter. Ze verkiezen een zuur en doorlatend mengsel en moeten steeds vochtig of nat staan. Gebruik steeds regenwater aangezien de planten een hekel hebben aan kalk. Zet de planten met pot en al in een ruime schaal en giet hier enkele centimeters water in.
De tropische bekerplanten (Nepenthes) zijn wat moeilijker en hebben constant hoge temperaturen en een hoge luchtvochtigheid nodig.

Meer weten?
Blondeau, G. (1996) Plantes Carnivores
Degreef, J.D. (1999) Vleesetende planten
Pietropaolo, J. and Pietropaolo, P. (1996) Carnivorous plants of the world
Slack, A. (1979) Carnivorous plants

Voor vragen over een bezoek aan de Plantentuin, contacteer Patrick Bockstael (Tel.: + 32 2 260 09 70).

Plantentuin Meise
Domein van Bouchout
B-1860 Meise