Plantentuin verhuist oudste potplanten ter wereld met torenkraan

13/11/2007

Voyage en grue pour les deux plus vieux arbres en cuve du monde

 

Plantentuin had torenkraan nodig om oudste potplanten ter wereld te verplaatsen.

De Nationale Plantentuin spaarde kosten nog middelen om de twee oudste potplanten van het land - wellicht van de wereld - te verhuizen. Gezien de verdere vernieuwing van de daken van het Plantenpaleis, het grootste serrecomplex van de Nationale Plantentuin, moesten twee exemplaren van de Oostkaapse broodboom (Encephalartos altensteinnii) verplaatst worden. Hun verhuis bezorgde de conservator van het Plantenpaleis grijze haren want het gaat om de oudste en grootste potplanten uit de collectie, meer dan vijf meter hoog en met een gewicht van meer dan drie ton. Ondanks het slechte weer is alles zeer vlot verlopen; de klus was dankzij de goede voorbereidingen die al weken aan de gang waren, geklaard in 75 minuten per boom.

Een levende Rubens

"Deze bomen zijn meer dan 300 jaar oud en de oudste planten van de Plantentuin" zegt Viviane Leyman, verantwoordelijk voor de plantencollecties onder glas. Op het einde van de 18e eeuw werden planten van deze soort uit de Kaap in Europa ingevoerd door de Nederlandse Verenigde Oost-Indische Compagnie. Ze werden waarschijnlijk gebruikt als ballast in het scheepsruim. Verschillende Europese botanische tuinen verwierven in die periode enkele planten. De Nationale Plantentuin moet haar planten verworven hebben tussen 1826 en 1842. In een intern verslag van de Plantentuin van 14 februari1859 wordt de plant vermeld: "... un Encephalartos altensteinii(sic) extraordinaire par sa forme insolite et par la beauté de son port. Son tronc a 1 mètre 40 cent. d'élévation et autant de circonférence." Deze planten behoren dus tot de oudste in Europa, het zijn unieke erfgoedstukken volledig vergelijkbaar met bijvoorbeeld een schilderij van Rubens, Vermeer of Rembrandt, tijdgenoten van deze planten.

Ouder dan de dinosauriërs

Het Griekse woord 'artos' of brood refereert naar de Hottentotten die het merg van de stam gebruikten als deeg om brood mee te bakken. Daarvoor moest dat merg wel eerst 2 maanden begraven worden todat de gifstoffen eruit verdwenen waren. Broodbomen behoren tot de palmvarens. De volwassen planten lijken wel wat op palmen en de jonge bladeren ontrollen zich, net als varenbladeren. Het gaat hier echter om een unieke plantengroep die zich reeds 280 miljoen jaar geleden ontwikkelde. Het was dus tussen de palmvarens dat de dinosauriërs rondzwierven. Vandaag zijn er nog ongeveer 300 soorten, waarvan de helft pas de laatste 25 jaar ontdekt werden. Niet minder dan zeven van deze nieuwe soorten, vooral uit Centraal-Afrika werden door medewerkers van de Plantentuin beschreven. Bijna alle huidige soorten zijn bedreigd, ze gaan sterk achteruit doordat de mens wereldwijd hun groeimilieu verstoord en vernietigd heeft.

 

Palmvarens in de negentiende eeuwse huiskamer

In het midden van de 19e eeuw moeten palmvarens bij plantenverzamelaars van Belgische burgerij erg in trek zijn geweest. Gezien deze interesse zouden er in ons land nog meer oude exemplaren aanwezig kunnen zijn. De Nationale Plantentuin zou deze planten graag in kaart brengen om er zaden en stuifmeel van te oogsten. In het kader van de biodiversiteit is hun genetische waarde immers niet gering. Het gaat hier waarschijnlijk allemaal om planten die rechtstreeks uit het wild afkomstig zijn en dus genetisch uniek. Ze kunnen vers bloed betekenen voor de andere exemplaren in cultuur om zo gezondere nakomelingen te hebben. Personen die denken een plant van meer dan 100 jaar en met een stamhoogte van meer dan 80 cm in hun bezit te hebben kunnen via encephalartos@br.fgov.be een foto opsturen.

 

Mijnheer of mevrouw?

Palmvarens zijn verwant met de coniferen, om zich voort te planten maken ze geen bloemen of vruchten, ze maken grote kegels, vergelijkbaar met reusachtige denappels. Er zijn mannelijke en vrouwelijke planten. In de kegels van de mannetjes wordt stuifmeel geproduceerd, in de kegels van de vrouwtjes ontwikkelen zich de zaden. De grootste plant in Meise is een vrouwtje. Het geslacht van de andere plant is tot heden onbekend want gedurende zijn eeuwenlange geschiedenis heeft deze plant nog steeds geen kegels gemaakt. Al 180 jaar lang wacht de Plantentuin in spanning op de onthulling van dit geheim.

 

Een tweede jeugd, een nieuw begin?

Na drie eeuwen zijn deze twee nestors van de Plantentuin uitgegroeid tot majestueuze kolossen. Hun belang is bovendien alleen maar toegenomen. Meer dan botanische curiosa, staan ze vandaag symbool voor de opdracht van de Plantentuin.  De Plantentuin beheert een schat aan informatie over tienduizenden plantensoorten. Plantensoorten die gebruikt kunnen worden in de voedselvoorziening, de waterzuivering, CO2 fixatie of de ontwikkeling van medicijnen. Mits goed beheer is het Plantenrijk een onuitputtelijke hulpbron. De mensheid kan niet zonder planten. In dit kader is de verhuis van de Oostkaapse broodbomen het uitgelezen moment om hen een grotere rol en meer zichtbare rol toe te bedelen. Zij verdienen, net als de indrukwekkende reuzenwaterlelies, een eigen serre waar ze hun vierde eeuw kunnen ingaan. In een nieuwe kas kunnen ze met hun rijke en fascinerende geschiedenis hun rol als ambassadeurs van het Plantenrijk ten volle waarmaken.De Plantentuin zoekt momenteel fondsen voor dit project, een echte Rubens hang je tenslotte ook niet achter de deur.

 

    

 

Voyage en grue pour les deux plus vieux arbres en cuve du monde

Branle-bas de combat au Jardin botanique national : la rénovation du grand complexe de serres, le Palais des Plantes, oblige les deux plus anciennes plantes exotiques en cuve du pays – et peut-être même du monde – à déménager pour une serre chauffée. Cinq mètres de haut, plus de trois tonnes : le voyage en grue des deux arbres à pain du Cap (Encephalartos altensteinnii) donne des cheveux blancs aux responsables des serres... Rencontre avec un patrimoine vivant exceptionnel.

 

Un Rubens vivant

« Ces colosses de près de 400 ans sont les plus anciennes plantes exotiques du Jardin botanique, et ce sont les plus grandes plantes conservées en "pot" (cuve) de notre collection », explique Viviane Leyman, responsable des collections sous verre.  « C’est à la fin du 18ème s. que la Compagnie néerlandaise des Indes orientales a embarqué pour la première fois au Cap des arbres à pain à destination de l’Europe.  Les plantes ont probablement servi de ballast aux vaisseaux.  A leur arrivée, elles ont été réparties entre différents jardins botaniques européens.  Les arbres à pain du Jardin botanique sont arrivés entre 1826 et 1842.  Un rapport de l’institution, daté du 14 février 1859, mentionne : « "... un Encephalartos Altensteinii (sic) extraordinaire par sa forme insolite et par la beauté de son port. Son tronc a 1 mètre 40 cent. d'élévation et autant de circonférence. »  Ces plantes, parmi les plus anciennes d’Europe, représentent un patrimoine unique au même titre qu’une peinture de Rubens, Rembrandt ou Vermeer, leurs contemporains. »

 

Plus anciens que les dinosaures

Les arbres à pain appartiennent à l’ordre des cycadales.  Adultes, elles ressemblent à un magnifique palmier mais leurs jeunes feuilles s’enroulent en crosse d’évêque comme les fougères.  Leur nom commun, « arbre à pain » se réfère au fait que les Hottentots réduisaient en farine la moelle du tronc (la partie tendre sous l’écorce) pour en faire du pain.  En fait, les cycadales constituent un groupe végétal distinct qui a vu le jour il y a 280 millions d’années : elles ont donc précédé les dinosaures qui ont gambadé parmi elles ! Aujourd’hui, on connaît environ 300 espèces dont la moitié a été découverte durant les 25 dernières années.  Première étape de toute étude scientifique, la description de sept espèces provenant surtout d’Afrique centrale a été réalisée par des collaborateurs du Jardin botanique national. Malheureusement, de nos jours, quasi toutes les espèces de cycadales sont menacées car leur habitat est détruit par les activités humaines.

 

Wanted !

Vers 1850 déjà, les cycadales étaient à la mode comme plantes de collection parmi la riche bourgeoisie belge.  Il est donc probable que divers exemplaires de cette époque sont encore en vie quelque part dans le pays.  Le Jardin botanique souhaiterait les localiser afin de récolter leur pollen et leurs graines.  Sur le plan de la diversité biologique, ceux-ci présentent une grande valeur car, provenant probablement du milieu naturel et non de culture, ces individus représentent du "sang neuf" intéressant pour contrer l’érosion génétique des cycadales, conséquence de leur raréfaction.

Toute personne qui pense avoir en sa possession une cycadale de plus de 100 ans, avec un tronc de plus de 80 cm de haut, est invitée à prendre contact avec le Jardin botanique en envoyant une photographie de la plante via encephalartos@br.fgov.be.

 

Sexe inconnu !

Les cycadales sont apparentés aux conifères : pour se reproduire, elles ne produisent pas de fleurs ni de fruits mais des cônes qui ressemblent à des pommes de pin géantes.  Les cônes d’un pied mâle portent du pollen sur leurs écailles, les cônes d’un pied femelle portent des graines.  La plus grande cycadale de Meise est femelle, mais le second arbre n’a jamais produit de cône, aucun botaniste au monde ne peut dire si c’est madame ou monsieur.  Le suspense dure depuis 180 ans...  

 

Une deuxième jeunesse ?

Leur riche histoire ainsi que leur statut de plantes menacées font de ces arbres à pain de majestueux ambassadeurs de la protection des espèces végétales auprès du public.  Ils sont également emblématiques du travail du Jardin botanique qui, riche de ses 18.000 espèces végétales, recèle un véritable trésor d’informations sur des plantes très utiles pour fabriquer des médicaments, fixer le CO2 ou épurer les eaux. Le déménagement de ces doyens constitue une opportunité pour les mettre en valeur dans une nouvelle serre conçue pour eux, comme c’est le cas pour les nénuphars géants, et pour les planter en pleine terre afin de leur permettre de se développer sans le corset de leur cuve. Pour le moment, le Jardin botanique est à la recherche des fonds nécessaires...