Belgische gevolgen klimaatveranderingen

3/3/2008

La Belgique et les changements climatiques

 

Belgische gevolgen klimaatveranderingen

Januari 2008 was gemiddeld bijna 4° C te warm en februari kende dagen waarop mensen naar het strand trokken.  De natuur moet zich aan deze veranderingen aanpassen, sommige plant- en diersoorten kunnen er hun profijt uit halen, maar vele zullen op termijn verdwijnen.

Van beuk tot appelboom, onze inlandse planten krijgen het moeilijk.  Hoe vroeger de fruitbloesems in bloei komen, hoe groter het risico op bevriezing door voorjaarsnachtvorst of hoe kleiner de kans op vruchtzetting door de afwezigheid van voldoende bestuivende insecten.  De hoeveelheid stuifmeel van windbestuivers die allergieën veroorzaken zoals berk, hazelaar en grassen neemt toe: geen prettig vooruitzicht voor hooikoortslijders!

 

Een dodelijke mix

Planten en dieren moeten vandaag afrekenen met een mix aan bedreigingen die voor het eerst in de geschiedenis allemaal tegelijk op hen afkomen: wereldwijde bodem-, lucht- en waterverontreiniging, versnippering van het leefgebied, populatiefragmentering en genetische verarming door ontbossing of overbevissing. De klimaatsveranderingen komen daar nog eens bovenop en versterken de moeilijkheden. Deze zware invloeden, waarin de mens veelal een rol speelt, brengt de natuur uit balans.  De meeste organismen zijn eenvoudigweg niet in staat zich aan dit tempo van veranderingen aan te passen, het gaat gewoon te snel.

 

Bossen onder stress

Te veel stressfactoren die gelijktijdig optreden zorgen ervoor dat tal van soorten verzwakken.  De beuken (Fagus sylvatica) van het Zoniënwoud bijvoorbeeld, beginnen reeds in de maand juni hun bladeren te laten vallen.  Dit heeft een effect op de lengte van de groeiperiode van de bomen wat dan weer zijn weerslag heeft op de kwaliteit en de hoeveelheid van het hout dat geproduceerd wordt.  Verzwakte bomen lopen ook een groter risico om aangetast te worden door ziekteverwekkende bacteriën en zwammen zoals Phytophtora cinnamomi, die in Frankrijk bijvoorbeeld het bestand van zomereik (Quercus robur) bedreigt. Samen leveren beuk en eik in ons land de belangrijkste hoeveelheid inheems hout.  Onze bosbouwers zitten weldra met hun handen in hun haar.  Zijn deze soorten, die meer dan een eeuw moeten groeien voor ze kaprijp zijn, nog steeds het meest aangewezen om aan te planten of moet men naar andere soorten uitkijken?  Zoals steeds in de context van levende organismen, gaat het over een complexe problematiek waarop men geen kant en klare antwoorden kan geven omdat niet alle factoren ingeschat kunnen worden.

 

Trein gemist

Een natuurkalender die uit evenwicht is, kan vele gevolgen hebben. Tropische muggen die erin slagen bij ons te overleven, oprukkende termieten, veeziektes; noem maar op.  In Nederland stelt men vast dat door een steeds vroegere lente de bladeren van de zomereik (Quercus robur) vroeger ontluiken. Ten opzichte van dertig jaar geleden gebeurt dit 10 dagen vroeger. De  wintervlinder  (Operophtera brumata) waarvan de rupsen van eikenbladeren leven, heeft zich weten aan te passen en legt zijn eitjes nu  9 dagen vroeger. Normaal dienen de rupsen als voedsel voor jonge koolmezen, maar de koolmees heeft zijn levenscyclus nog niet aangepast, want zijn biologische klok wordt niet door temperatuur maar door daglengte bepaald. De koolmees komt dus te laat en mist de trein. De rupsen zijn al lang verpopt of vlinders geworden en gaan vliegen. Het gevolg is dat de jonge koolmeesjes in hun nest verhongeren. (Waarnemingen sinds 1995, Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek). 

 

Verdubbelt het allergeen stuifmeel?

Onderzoek uit Harvard leert dat alsemambrosia (Ambrosia artemisiifolia), een plant die de laatste jaren ook meer en meer bij ons opduikt, door een vroege lente 55% meer stuifmeel produceert dan onder normale omstandigheden.  Dit pollen is allergeen voor heel wat hooikoortslijders en kan zelfs aanleiding geven tot eczeem en astma.  In de Canadese provincie Quebec, waar men ook te kampen heeft met dit fenomeen, heeft men berekend dat deze plant de volksgezondheid en economie maar liefst 50.000.000 $ per jaar kost.  Het aantal waarnemingen van alsemambrosia is in Nederland de laatste jaren spectaculair toegenomen door de klimaatsveranderingen.  Maar er zijn er nog…             In 1999 bloeide de hazelaar (Corylus avellana) al 25 dagen eerder dan in 1975.  Je ziet bij meer en meer hooikoortsplanten dat hun pollenverspreiding vroeger begint maar ook 11 tot 30 dagen langer duurt. 

 

De Nationale Plantentuin steekt de handen uit de mouwen

Al bijna twee eeuwen verzamelt men in de Plantentuin kostbare gegevens rond de verspreiding van inheemse planten.  Met de regelmaat van een klok wordt de flora van ons grondgebied herzien qua verdwenen soorten en nieuwkomers.  Nagenoeg elke vierkante kilometer van ons land werd de afgelopen eeuw meermaals onderzocht, een titanenwerk! Enkele plantenpopulaties die dreigen te verdwijnen worden meer in detail geobserveerd zoals kruipend moerasscherm (Apium repens) of beklierde huislook (Sempervivum funckii var. aqualiense).  Ter herinnering, meer dan 40 % van de inheemse plantensoorten staan al op de zogenaamde rode lijst, waarop alle soorten samengebracht zijn die met verdwijning bedreigd worden. Door het in kaart brengen doorheen de tijd van soorten kan men zien of hun verspreiding af- of toeneemt; erg belangrijk om weten als men maatregelen moet treffen.

 

Een bron van hoop

Naast de beschermingsmaatregelen in de natuur, maakt ook de zadenbank van de Plantentuin deel uit van de oplossingen voor deze problemen. Hier bewaart men een gigantische voorraad zaden van wilde planten uit eigen land en talrijke exotische soorten. Opgeslagen in de zadenbank blijven de zaden minstens 100 jaar kiemkrachtig en blijft de genetisch diversiteit zo bewaard. Als lid van ENSCONET (European Native Seed Conservation Network) integreert de Plantentuin zich op een concrete manier in het actieve behoud van de Europese wilde natuur.  Zo kon men in 2005 de in de natuur uitgestorven Ardense dravik (Bromus bromoideus) terug tot leven wekken.  Op zich een hoopvolle boodschap voor de mensheid want de planeet kan perfect zonder mensen verder draaien, maar mensen kunnen niet voortbestaan zonder planten.  Ze leveren ons zuurstof, voedsel, medicijnen en nog veel meer…  De Plantentuin trekt zich het lot aan van deze groene bondgenoten.

 

Meer weten over

 

  

 

La Belgique et les changements climatiques: quelles conséquences sur nos plantes?

Janvier 2008 : températures moyennes dépassées de 4° C, février 08 : on croise certains jours des promeneurs en short dans les rues... Drôle d’hiver.  Quand les espèces vivantes sont confrontées à des circonstances exceptionnelles, elles s’adaptent, parfois en profitent... ou disparaissent, à la longue. En Belgique, du hêtre au pommier, on trinque. Plus elle est précoce, plus la floraison des fruitiers craint le gel et la rareté des pollinisateurs, ce qui compromet parfois sévèrement la fructification. Chez les pollens allergènes (noisetier, bouleau,...), en revanche, on prospère. Quelques observations et prospectives du Jardin botanique national de Belgique. 

Un dangereux cocktail inédit

Les espèces végétales et animales affrontent aujourd’hui un cocktail d’agressions violentes, simultanées, sans précédent dans l’histoire.  Pollution des sols, de l’air, des eaux jusque dans l’Antarctique inhabité, réduction des populations par le prélèvement effréné des effectifs freinant leur renouvellement - voyez la surpêche, la déforestation -, réduction sensible des milieux favorables à la vie sauvage par l’urbanisation, le bétonnage qui détruit et morcèle le milieu de vie des espèces. Les changements climatiques s’y conjuguent, aggravant les difficultés.  D’origine humaine, ces agressions sur le vivant, en grand déséquilibre avec le rythme naturel, progressent très rapidement : très difficile pour la plupart des espèces de s’y adapter, tout va trop vite. 

 

Stress global sur le vivant

Tant de perturbations simultanées affaiblissent de nombreuses espèces.  Les hêtres (Fagus sylvatica) de la forêt de Soignes, par exemple, commencent à perdre leurs feuilles dès le mois de juin. Les chutes d’arbres se sont accrues : mauvais bilan de santé et, pour l’exploitant, qualité et production du bois en péril.  Le développement de champignons et de bactéries pathogènes, comme la Phytophtora cinnamomi, s’attaquant au chêne pédonculé (Quercus robur) bien présent en Belgique, risque également d’exploser en France, d’après des simulations récentes (septembre 2004).

Mais c’est tout le calendrier naturel qui est perturbé, avec des corrélations négatives -augmentation des moustiques et recul de son prédateur, le crapaud- ou des rendez-vous manqués, parfois mortels.

 

Tragédie chez les mésanges

Dans la nature, tout est lié comme dans une toile d‘araignée. Aux Pays-Bas, avec les printemps plus doux, le chêne pédonculé a avancé sa feuillaison de 10 jours en 30 ans.  Les chenilles de la phalène brumeuse (Operophtera brumata) apparaissent elles aussi sur ses feuilles avec neuf jours d’avance.  Or, durant deux semaines, elles constituent la nourriture principale des oisillons de la mésange charbonnière. Hélas, l’oiseau, lui, réagit à la longueur du jour : il n’a donc pas ″avancé son calendrier″ de ponte et d’éclosion.  Aussi, au moment où les mésanges cherchent les chenilles pour nourrir leurs jeunes, celles-ci ont quasi toutes déjà disparu, transformées en papillons.  Conséquence tragique : les oisillons meurent de faim dans leur nid, c’est l’observation faite depuis 1995 par le NIOO-KNAW (Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek). 

 

55 % de pollens allergènes de plus

Une équipe de Harvard a observé que l’ambroisie (Ambrosia artemisiifolia), une plante exotique présente chez nous, produit, lors de printemps précoces, 55 % de pollens de plus que dans des conditions normales.  Ce pollen, fortement allergène, cause de la conjonctivite, de l’eczema et même de l’asthme.  Au Québec, qui en souffre également, la Direction de la Santé publique de Montréal-Centre estime les coûts économiques liés aux effets allergènes à 50.000.000 $ par an…  L’ambroisie, apparue récemment aux Pays-Bas, y connaît une extension énorme, vraisemblablement sous l’effet des changements climatiques.  Et ce n’est là qu’une espèce allergisante.  En 1999, le noisetier (Corylus avallana), par exemple, fleurissait déjà 25 jours plus tôt qu’en 1975. D’une manière générale, la période de floraison s’étant allongée de près de 11 jours en 30 ans, les périodes d’allergies s’allongent.

 

Le Jardin botanique national retrousse ses manches !

Depuis près de deux siècles, le Jardin botanique produit de précieux outils : édition et mise à jour régulière de la Flore de Belgique, qui inventorie toutes les espèces sauvages, exotiques naturalisées et adventices, publication d’atlas floristiques qui cartographient les espèces inventoriées sur chaque km2 du pays (un travail de titan...).  Sur le terrain également, le Jardin botanique effectue un suivi et des études d’espèces rares ou menacées comme l’ache rampante (Apium repens) ou la joubarbe d’Aywaille (Sempervivum funckii).  Pour rappel, plus de 40 % des espèces végétales indigènes se trouvent déjà sur une liste rouge... L’analyse de l’évolution des espèces dans le temps (extension, régression, localisation,...) permet de diagnostiquer les espèces menacées.  Et surtout de préconiser des solutions.  

 

Un réservoir d’espoir

A côté de la préservation des espèces dans la nature, la banque de graines du Jardin botanique fait partie des solutions : son stock gigantesque de graines de plantes sauvages, d’ici (1,3 millions de spécimens) et d’ailleurs, offrant une large diversité génétique, conserve son pouvoir de germination, au moins un siècle.  Actif dans le réseau européen ENSCONET (European Native Seed Conservation Network) ou réseau européen de conservation de graines indigènes, le Jardin botanique pose ainsi un acte concret de conservation des végétaux car les graines se trouvent à l’abri des perturbations du milieu naturel : Meise l’a prouvé en 2005 en « ressuscitant » le brome des Ardennes (Bromus bromoideus), éteint dans la nature.  Un acte plein d’espoir pour l’avenir de l’humanité car, si notre planète peut parfaitement continuer à tourner sans êtres humains, nous sommes dépendants des plantes pour notre oxygène et notre nourriture notamment, c’est-à-dire pour notre vie.  Le Jardin botanique s’emploie à protéger concrètement nos vertes alliées.

 

Pour en savoir plus sur