Plantentuin Meise

 Er groeit iets in Meise!

Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest

33 jaar lang verzamelden vele medewerkers gegevens over de wilde plantengroei van het hele grondgebied van Vlaanderen en Brussel.  De resultaten werden in een atlas gegoten met ruim 850 pagina's verspreidingskaarten en besprekingen van 1400 plantensoorten.  

De inleidende hoofdstukken geven extra informatie over de historiek van het project, de methodiek, de globale veranderingen in de flora, een Rode Lijst met bedreigde planten en de geografische aspecten van de plantenverspreiding.  De "Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest" kwam er op initiatief van de vereniging Flo.Wer en is een uitgave van de Nationale Plantentuin van België en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO).  Ongetwijfeld zal het boek voor lange tijd het standaardwerk blijven over verspreiding en abundantie van planten in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Enkele opmerkelijke conclusies uit de Atlasgegevens:

Wat je zeker nog moet weten over de Atlas:

Hoe bestellen?

Contact

Nationale Plantentuin van België
Verkoop Publicaties
Bouchout Domain, Nieuwelaan 38
Meise , 1860 Belgium

++32 (0)2 260 09 81
Email:



Atlas van de flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest.

Redactie: Wouter Van Landuyt, Ivan Hoste, Leo Vanhecke, Ward Vercruysse, Paul Van Den Bremt en Dirk De Beer

Auteurs: Luc Allemeersch,Bert Berten, Rein Brys, Piet De Becker, Geert De Blust, Luc Denys en René Meeuwis

Op initiatief van Flo.Wer

Uitgevers: Nationale Plantentuin van België en Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer (INBO)

Impressum Meise, 2006

Brussel, 2006

Collatie 1007 p. : fig., kl. foto's, tek., verspr. krt.

ISBN/ISSN 9072619684

€ 59

De teloorgang van de akkerflora

Herinneringen aan kleurrijke wegbermen en akkers zitten gegrift in het geheugen van velen die het Vlaamse landschap tot in de jaren vijftig, zestig van de twintigste eeuw hebben gekend. En hoevelen hebben niet als kind mandenvol bloemen geplukt om ze uit te strooien op de wegen waar de jaarlijkse processie langskwam? Sindsdien is de landbouw heel sterk veranderd. Sommige teelten – zoals klaver, boekweit en in de meeste streken ook vlas – zijn nagenoeg verdwenen. Andere gewassen worden, vooral als een gevolg van betere zaaizaadzuivering en herbiciden allerhande, veel minder dan vroeger ‘geteisterd’ door kleurrijke wilde bloemen. Een hele reeks planten is daardoor in Vlaanderen helemaal verdwenen of zeer zeldzaam geworden. Voorbeelden daarvan zijn de blauwe korenbloem, de roze bolderik, de gele akkerboterbloem, de witte naaldenkervel en de al sinds tientallen jaren verdwenen rode zomer- en herfstadonis. Van de zeer specifieke onkruidflora van vlasakkers blijft niets meer over: vlashuttentut en vlaswarkruid zijn in Vlaanderen al sinds tientallen jaren niet meer waargenomen. Enkele soorten uit de groep van de akkeronkruiden hebben de landbouwkundige omwentelingen beter overleefd, omdat ze in andere milieus een alternatief gevonden hebben voor de intensief bewerkte akkers. Een goed voorbeeld daarvan is de grote klaproos, die vandaag vooral talrijk voorkomt op plaatsen waar recent op grote schaal grondverzet heeft plaatsgehad, zoals bij de aanleg van nieuwe wegen of na het trekken van sleuven voor het leggen van ondergrondse leidingen.

Links: Korenbloem (copyright Rollin Verlinden)

Rechts: Uurhokken (4 x 4 km) waar korenbloem gevonden is in de periode 1939-1971 (lichtblauwe vierkantjes) en sinds 1972 (donkerblauwe stippen). Ongetwijfeld is de plant nog veel sterker achteruitgegaan dan het kaartje suggereert: op talrijke plaatsen waar dit akkeronkruid ook nog na 1971 gemakkelijk kon gevonden worden, is de plant vandaag immers nagenoeg of zelfs helemaal verdwenen.

terug naar overzicht

Landschap in beweging Of een plant ergens groeit en standhoudt, is afhankelijk van een brede waaier factoren. Kritische soorten stellen hoge eisen aan hun standplaats, waardoor ze in de regel zeldzaam zijn. Andere groeien zonder probleem in sterk uiteenlopende milieus en komen als een gevolg daarvan veel algemener voor. In een voortdurend veranderend landschap hebben de plantensoorten van de eerste groep het moeilijker om zich te handhaven dan deze van de tweede groep, die immers beter tegen een stootje kunnen. In de voorbije één, twee eeuwen is het Vlaamse landschap erg sterk van uitzicht veranderd: akkers maakten plaats voor grasland; diverse teelten verdwenen, terwijl gelijktijdig maïs een enorme opgang doormaakte; kleine landschapselementen (zoals knotwilgenrijen en veedrinkputten) werden weggerationaliseerd; steden, dorpen, industriegebieden en de bijbehorende verkeersinfrastructuur knabbelden overal aan de open ruimte; enz. In dit dynamisch landschap proberen planten zich staande te houden. De meest kwetsbare soorten verdwijnen. Andere kwijnen op tal van groeiplaatsen weg, houden stand in verspreide reservaten of andere refugia, maar slagen er nauwelijks in om nieuwe groeiplaatsen te koloniseren. Aan het andere eind van het spectrum zitten talrijke soorten die in de voorbije tientallen jaren sterk vooruitgingen. In verreweg de meeste gevallen betreft het oorspronkelijk niet-inheemse planten, die in een min of meer ver verleden bewust of onbewust (bv. als sierplant) in Vlaanderen terechtkwamen. Graanoverslagterreinen, bermen langs grote verkeerswegen, rommelhoekjes in het urbane gebied, verlaten landbouwgronden enz. zijn plekjes waar soorten zoals bijvoorbeeld reuzenberenklauw en Japanse duizendknoop het prima naar hun zin hebben. Een traditioneel, kleinschalig, agrarisch landschap in Kortemark in 1911. Een mozaïek van kleine landschapselementen bood  talrijke plantensoorten een geschikte groeiplaats. Na de tweede wereldoorlog is dit soort landschappen gaandeweg verdwenen, samen met de bijbehorende flora.

terug naar overzicht

Bedreigde waterplanten

Omdat waterplanten en moerasplanten in zeer nauw contact leven met het omringende water, zijn ze zeer gevoelig voor de verontreiniging van dat water. Allerlei afvalstoffen, meststoffen, herbiciden en pesticiden die op het land gebruikt worden zijn oplosbaar in water en komen uiteindelijk terecht in het oppervlaktewater, beken en rivieren. De achteruitgang, of zelfs het verdwijnen van water- en moerasplanten geeft daarom belangrijke signalen naar de gemeenschap van een globale verontreiniging van het leefmilieu. Niet alle soorten water- en moerasplanten zijn even gevoelig aan dergelijke verstoringen van de kwaliteit van hun groeiplaatsen. Sommige echter zijn zeer gevoelig. Tot deze laatste groep behoren vele fonteinkruiden, zoals glanzig en plat fonteinkruid. Fonteinkruiden met grote bladen waren vroeger erg typisch voor onze rivieren. Nu zijn het bijna allemaal grote zeldzaamheden geworden. Andere fonteinkruidsoorten komen alleen voor in heel specifieke milieus, zoals het weegbreefonteinkruid dat alleen groeit in zeer fosfaatarme, ‘koude’, ‘harde’, carbonaatrijke wateren. Door allerlei menselijke tussenkomsten is er voor dergelijke milieus nauwelijks nog ruimte en daarom zijn die typische soorten alleen nog te vinden in natuurreservaten waar men ze door speciale beschermingsmaatregelen probeert te vrijwaren tegen schadelijke invloeden van buitenaf. De nieuwe Atlas van de Vlaamse en Brusselse flora biedt de mogelijkheid om voor 250 soorten hun huidige verspreiding en de toestand van 33 jaar geleden te vergelijken met de toestand vóór 1939 (tweede helft 19de eeuw en eerste helft 20ste eeuw). Vaak worden die vergelijkingen echter bemoeilijkt doordat tijdens de laatste kartering veel meer aandacht uitging naar waterrijke biotopen dan vroeger.

De verspreiding van glanzig fonteinkruid in de perioden 1972-2004 (felrode blokjes), 1939-1971 (gele vierkantjes) en 1850-1938 (groen gearceerde vierkantjes).  Men kan vaststellen hoe deze soort van nagenoeg stilstaande, heldere, diepere wateren geleidelijk achteruit is gegaan.

terug naar overzicht

Nieuwkomers

Wie de balans wil opmaken van de veranderingen van de flora in de voorbije eeuw, kan zich niet beperken tot het oplijsten van achteruitgaande of verdwenen plantensoorten. Er is ook een hele reeks nieuwkomers, waarvan sommige op relatief korte tijd een stek veroverd hebben in het landschap. Het gros van die nieuwkomers behoort nog niet echt tot de Vlaamse flora: ze worden een zeldzame keer hier of daar door een ijver inventariserende florist gevonden, maar verdwijnen na hooguit een paar jaar, zonder enig spoor achter te laten. Dit zijn de zogenaamde adventieven. Andere soorten vergaat het beter. Ze vinden in het moderne, grotendeels verstedelijkte en door grote verkeerswegen doorsneden landschap geschikte milieus om zich op de langere termijn blijvend te vestigen en uit te breiden. Meewervelend in het zog van voorbijrijdende auto’s of treinen, meestromend met het water van kanalen of rivieren, als verstekeling meeliftend in grond die over grote afstanden wordt vervoerd, enz. bereiken zaden of andere plantendelen nieuwe potentiële groeiplaatsen, zodat ze zich steeds verder kunnen verbreiden. Na verloop van tijd lijkt het wel alsof die planten er altijd al geweest zijn. Ze worden dan niet langer beschouwd als vluchtige adventieven, maar komen terecht in de in Vlaanderen steeds groter wordende categorie van niet-inheemse, maar goed ingeburgerde plantensoorten. Een voorbeeld daarvan is bezemkruiskruid, een plant die sinds enkele tientallen jaren een zeer sterke opmars heeft gekend en die vandaag talrijk voorkomt in het stedelijke gebied, langs grote verkeerswegen en zelfs in toenemende mate in het landelijke gebied en in de duinen. Van een aantal van de inburgerende soorten wordt gevreesd dat ze op termijn problemen kunnen veroorzaken, bijvoorbeeld omdat ze zich in natuurgebieden sterk kunnen uitbreiden en een bedreiging vormen voor de inheemse flora.

Uurhokken (4 x 4 km) waar bezemkruiskruid gevonden is in de periode 1939-1971 (lichtblauwe vierkantjes) en sinds 1972 (donkerblauwe stippen). Opvallend is de zéér sterke uitbreiding van de soort. Grote concentraties vindplaatsen situeren zich in en rond de grote steden, maar ook elders in Vlaanderen wordt de plant steeds vaker gevonden.

terug naar overzicht

Verspreidingspatronen van plantensoorten in Vlaanderen en Brussel

Je zou het wellicht niet zo verwachten, maar er zitten heel veel verschillen tussen de verspreidingspatronen van de wilde plantensoorten in Vlaanderen en Brussel. Sommige soorten zijn uiterst algemeen en zijn tot in de verste uithoeken te vinden. Een dergelijke soort waar iedereen al wel eens mee in contact is gekomen en die bij velen lijfelijk in het geheugen staat gebrand is de grote brandnetel. Dit is een zeer levenskrachtige soort die bovendien als geen andere kan profiteren van het overaanbod aan stikstof en voedingsstoffen in de grond. De verspreidingskaart van grote brandnetel ziet er dan ook uit als één grote vlek. Niet-ingevulde plekjes op de kaart  wijzen alleen op lokale leemten in het waarnemingsnet. De meeste soorten zijn echter veel minder algemeen. Dit komt vooral omdat de meeste soorten gebonden zijn aan (soms heel) specifieke milieu-eigenschappen. Vooral de aard van de bodem (zandig of lemig, nat of droog, kalkrijk of kalkarm, enz.) speelt op geografisch niveau  een rol, maar er zijn ook nog tal van andere factoren die de aan-of afwezigheid van soorten mede bepalen  zoals beschaduwing van de groeiplaats, betreding, maai- of begrazingsregime enz.

De verspreidingskaart van de grote brandnetel in Vlaanderen en Brussel. Niet tot ieders vreugde is deze soort alomtegenwoordig.

 

  

De grauwe dophei is een typisch voorbeeld van een soort met een bijzonder verspreidingspatroon. Deze plant van schrale, grazige bermen en heidevegetaties kent in ons land twee geïsoleerde deelareaaltjes, één in de Limburgse Kempen en één in het West-Vlaamse Houtland. Limburgers en West-Vlamingen hebben dan toch minstens één ding gemeen.

   

 

 De verspreiding van de walstrobremraap is in Vlaanderen (en België) grotendeels beperkt tot de duingraslanden van de Westkust.

 

 

 Klokjesgentiaan is een beschermde plant in België. Haar verspreiding is grotendeels beperkt tot de natte heidegebieden in de Antwerpse en Limburgse Kempen.

  

 

Het sierlijke eenbloemig parelgras komt in Vlaanderen bijna uitsluitend voor in bossen op de leemgronden in het zuiden van Oost-Vlaanderen en in Vlaams-Brabant en de Voerstreek.

terug naar overzicht

De kartering van de Vlaamse en Brusselse flora in cijfers

  • Het karteergebied van Vlaanderen (inclusief het Brussel Gewest) telt 14.344 verschillende kilometerhokken. Daartoe behoren evenwel honderden grenshokken die geen volle km² groot zijn.

  • Voor het rooster van de verspreidingskaarten worden de kilometerhokken gegroepeerd tot zogenaamde ‘uurhokken’ van 16 km² (4 x 4 km). Om het grondgebied van het Vlaamse en Brusselse Gewest te bedekken zijn er 985 van dergelijke uurhokken nodig.

  • Voor de inventarisatie van de Vlaamse en Brusselse flora zijn er ongeveer 15.000 streeplijsten ingevuld.

  • Samen met uit andere bronnen afkomstige waarnemingen leverden de streeplijsten meer dan 2.500.000 verspreidingsgegevens op.

  • 1417 verschillende soorten bloemplanten en varens zijn in de Vlaamse Atlas opgenomen. Voor elke soort is een verspreidingskaart gegeven en wordt de status besproken.

  • Ongeveer driekwart van de in Vlaanderen en Brussel aan te treffen en in de Atlas opgenomen plantensoorten wordt als inheems beschouwd; dit zijn planten die hier sedert jaar en dag ‘van nature’ aanwezig zijn. Van de overige soorten weet men met meerdere of mindere zekerheid dat ze zich in de loop van de eeuwen hier gevestigd hebben en dat ze zich wisten in te burgeren of dat ze steeds opnieuw aangevoerd worden, maar er in slagen op eigen kracht te overleven.

  • Van de inheemse soorten staan er ongeveer 45% op de Rode Lijst: 14 % is al uit Vlaanderen verdwenen of wordt met verdwijning bedreigd, 12% is bedreigd, kwetsbaar of gaat achteruit en 18% is zeldzaam.

  • Aan de publicatie van de Atlas is 33 jaar inventarisatiewerk voorafgegaan (1972-2004).

  • Hieraan werkten meer dan 1400 personen mee.

  • Tussen 1939 en 1971 is al een eerste keer de flora van België gekarteerd. Deze eerste kartering gebeurde volgens dezelfde methodes en heeft ook 33 jaar geduurd.

  • Het is mogelijk de minimale kostprijs te berekenen voor het inventarisatiewerk indien het zou moeten uitbesteed worden aan voltijds betaalde werkkrachten met een diploma botanie. Bij de hiernavolgende inschatting wordt alleen rekening gehouden met de loonkostprijs voor het verwerven van de basisgegevens.

  • Aan 1 streeplijst per 2 personen per halve dag betekent dit voor 15.000 streeplijsten 15.000 mandagen. Het inventarisatiewerk kan slechts gedurende het vegetatieseizoen, dit is van april tot en met september, dus gedurende 6 maanden of 125 dagen per jaar uitgevoerd worden. De globale inspanning kan dus herleid worden tot 120 manjaren, en rekening houdend met een huidige loonkost van 50.000 Euro per jaar per persoon, tot een globale loonkost van 6 miljoen Euro of bijna een kwart miljard oude Belgische franken!

  • De overheid heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van de kartering via financiering van het digitaliseren van de gegevens voor een kleine 600.000 Euro. Voor de overheid was dit dus een zeer renderende investering.

terug naar overzicht

‘Kilometerhokken’ en de onbetaalbare prijs van floristisch karteerwerk

Verder wordt uitgelegd hoe ‘strepers’ wilde plantensoorten aanstrepen op ‘streeplijsten’ om de flora te inventariseren en te registreren. Om te onderzoeken hoe en in welke mate die planten over geheel Vlaanderen voorkomen is het echter ook nodig om het karteergebied op te delen tot vergelijkbare ruimtelijke eenheden. Vlaanderen en Brussel werden hiertoe verdeeld in inventarisatievierkanten die precies 1 km² groot zijn, de zgn. ‘kilometerhokken’. De kilometerhokken worden via topografische kaarten en een vast geometrisch raster afgebakend. Voor cartografische doeleinden worden 16 aangrenzende kilometerhokken samengevoegd tot grotere eenheden van 4 x 4 km (16 km²), de zogenaamde uurhokken. Er is naar gestreefd binnen ieder uurhok minstens 4 kilometerhokken te inventariseren, maar vaak zijn voor een uurhok heel wat meer streeplijsten beschikbaar. Op de verspreidingskaarten in de Atlas wordt de verspreiding van de soorten aangegeven op deze schaal.

Binnen de afgrenzing van een kilometerhok wordt met behulp van een streeplijst een soortenlijst gemaakt van alle aanwezige wilde plantensoorten. Binnen elk hok worden zoveel mogelijk verschillende terreintypes doorlopen, zodat een goed overzicht verkregen wordt van de totale variatie van de begroeiing. Om een kilometerhok behoorlijk floristisch te analyseren is minstens een halve dag nodig. Beoogt men een zo compleet mogelijke inventarisatie van een hok, dan is het bovendien bijna onvermijdelijk om een zelfde kilometerhok zowel in het voorjaar als in de volle zomer te onderzoeken omdat sommige plantensoorten alleen in een bepaald seizoen opduiken of herkenbaar zijn. Een dergelijke operatie zou al snel onbetaalbaar worden indien ze volledig zou moeten uitgevoerd worden door professionelen.

Doorwinterde strepers laten zich niet afschrikken door regen of kou. Ook de eerste tekenen van de nieuwe lente worden dapper onderzocht en geregistreerd.

Bij het zoeken naar en registreren van wilde plantensoorten probeert men het hoofd koel en de voeten droog te houden. Tijdens het floristisch veldwerk worden alle mogelijke terreinen doorlopen.

terug naar overzicht

Strepers zijn geen strippers

Noch in de dikke Van Dale, noch in het ‘groene boekje’ (woordenlijst van de Nederlandse taal) zal men het woord ‘strepers’ terugvinden. Evenmin trouwens als het verwante begrip ‘streeplijst’; nochtans is dit het belangrijkste instrument waarmee strepers aan het strepen gaan. Zonder die strepers en streeplijsten zou nooit een Atlas van de Vlaamse en Brusselse Flora tot stand zijn gekomen!

Strepers noemt men die personen die er op uit trekken, meestal in hun vrije tijd, in de ‘vrije’ natuur, op het platteland, maar evengoed ook in stedelijke agglomeraties, op bouw- en fabrieksterreinen, in bossen en heiden. Ze doorzoeken maïsvelden, lopen langs waterlopen en beekjes, of halen net geen natte voeten in moerassen en poelen. Ze hebben aandacht voor al wat groen is en bladeren en bloemen heeft, brengen alle plantensoorten die ze tegenkomen op naam met behulp van flora’s en handloupes en noteren hun aanwezigheid. Hiertoe gebruiken ze speciale voorgedrukte formulieren  waarop de namen van alle plantensoorten die in Vlaanderen en Brussel in het wild voorkomen alfabetisch en afgekort samengebracht zijn; dit zijn de zogenaamde streeplijsten. De naam van elke soort die tijdens een streepexcursie waargenomen wordt, wordt er op doorgestreept. Vandaar …strepen, streeplijsten en strepers.

Door de belangeloze persoonlijke inzet van vele honderden personen over het gehele Vlaamse land worden zowel stedelijke omgeving als bijzondere natuurgebieden op hun flora gescreend en in kaart gebracht.

Gewapend met handloupes worden de kenmerkende fijne details van planten onderzocht om ze op naam te brengen.

Met een handloupe kun je al heel wat verborgen schoonheid ontdekken. Hier de bloem van grote ratelaar, een soort die vroeger talrijk te vinden was in vochtige hooilanden, maar die tijdens de laatste dertig jaar sterk is achteruitgegaan.

terug naar overzicht

De kartering van de Vlaamse en Brusselse flora: meer dan een bezigheidstherapie voor prettig gestoorden

1400strepers, die ook wel floristen worden genoemd, werkten gedurende 33 jaar mee aan een groots opgezet project dat de kartering van de inheemse wilde flora van het hele grondgebied van Vlaanderen en Brussel beoogde. Met dit project probeert men een antwoord te vinden op vragen als: waar in Vlaanderen komen de meer dan 1400 wilde plantensoorten voor en hoe talrijk zijn ze? Bovendien is het mogelijk om de huidige situatie te spiegelen aan die van pakweg dertig jaar geleden omdat toen ook al een vergelijkbare kartering (van geheel België) werd uitgevoerd. Uit die vergelijking valt veel te leren over soorten die zich hebben uitgebreid, of die juist achteruitgingen of zelfs verdwenen. Specifiek voor die beide laatste categorieën werd een zgn. Rode Lijst opgesteld, dit is een lijst die aangeeft in welke mate sommige planten uit Vlaanderen dreigen te verdwijnen. Vastgesteld kan worden dat er ook heel wat nieuwe soorten zijn bijgekomen. Soms gedragen die laatste zich invasief en vormen zo een bedreiging voor de inheemse flora. Kennis over dergelijke dynamische processen is voor de overheid van toenemend belang omdat die veel informatie nodig heeft over de toestand van de natuur en het milieu en over de impact van menselijke activiteiten daarop. Tengevolge van Europese regelgevingen worden steeds vaker dergelijke gegevens opgevraagd. De betekenis van de flora-kartering van Vlaanderen en Brussel situeert zich dus niet alleen op het niveau van een zinvolle vrije tijdsbesteding van bevlogen natuurliefhebbers.

De sociale en recreatieve functie van groepswerk in de natuur is niet te onderschatten, maar de wetenschappelijke honger naar kennis over de inheemse flora weegt toch wel door bij de meeste karteerders.

Alleen met de neus op de grond ontdekt men kleine planten die anders onopgemerkt zouden blijven. Met de flora in de hand wordt alles op naam gebracht. Ook jonge mensen zijn enthousiaste medewerkers.

terug naar overzicht

Flo.Wer, het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek en de Nationale Plantentuin van België

Met enige ondeugendheid zou je dit de Heilige Drievuldigheid kunnen noemen die het mogelijk maakte dat het karteerproject van Vlaanderen en Brussel tot een goed einde is gebracht.

Vooreerst is er de vereniging Flo.Wer (acroniem voor Floristische Werkgroepen). Dit is een overkoepelende vereniging die de Vlaamse ‘strepers’ en floristen groepeert  die in hun vrije tijd met het karteerwerk te velde in Vlaanderen bezig zijn en die verantwoordelijk zijn voor het merendeel van de aangeleverde waarnemingen. Binnen Flo.Wer zijn naast individuele personen ook plantenwerkgroepen actief die hun origine of thuishaven in andere verenigingen (zoals Natuurpunt) hebben. Flo.Wer is in 1992 ontstaan na de opheffing van het nationale Instituut voor de Floristiek van België en Luxemburg (IFBL). In Wallonië (en Brussel) ontstond uit het IFBL een Franstalige tegenhanger (de Amicale Européenne de Floristique, AEF).

Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek is een wetenschappelijke instelling van de Vlaamse Gemeenschap. Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek doet aan beleidsgericht onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening over behoud, ontwikkeling, beheer en duurzaam gebruik van biodiversiteit en haar milieu.

De Nationale Plantentuin van België is een federale instelling. Hier wordt fundamenteel wetenschappelijk onderzoek verricht naar de herkomst, morfologie, verwantschap en verspreiding van planten en zwammen, vooral uit België, Europa en Afrika. De Plantentuin is tevens een van de meest bezochte botanische tuinen in Europa, een heus venster op de biodiversiteit.

De beide onderzoeksinstituten zorgden voor de wetenschappelijk sturing en omkadering van het project en verleenden allerlei logistieke steun gedurende de 33 jaar dat de kartering duurde. Zonder de intensieve samenwerking tussen deze drie partners, veelal een kwestie van vlotte persoonlijke contacten, zou het project meerdere malen een vroege dood gestorven zijn.

Ook de Vlaamse overheid steunde het project onrechtstreeks doordat in het kader van enkele Vlina-projecten de digitalisatie van de gegevens mogelijk werd. Ook de totstandkoming van een internet-applicatie werd door de Vlaamse overheid gefinancierd.

 terug naar overzicht

Het logo van Plantentuin Meise Even voorstellen | Opdracht | Geschiedenis | Vacatures | Vrijwilligers | PartnersSteun ons | Contact | © 2017 Plantentuin Meise Facebook Twitter Youtube Flickr Newsletter Issuu Scribd